Wat betekent het stikstofdecreet concreet voor jou als varkenshouder.
Een korte schets van de huidige situatie voor jouw sector in het kader van het stikstofdecreet.
Vergunning voor onbepaalde duur
Om een vergunning voor onbepaalde duur te verkrijgen zijn er een aantal potentiële scenario’s. In scenario 1 bedraagt de impactscore minder dan 0,025%. In dat geval kan een vergunning worden aangevraagd zonder passende beoordeling.
In scenario 2, wanneer de impactscore groter is dan 0,025% en kleiner dan 50% is er een passende beoordeling nodig. De passende beoordeling zal gunstig zijn wanneer:
- Het gaat om een tijdelijke vergunning tot uiterlijk 2030 OF
- Wanneer er voldaan wordt aan de PAS-referentie 2030 OF
- Wanneer de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend niet wordt gehypothekeerd.
Waar vind je meer info?
- Stikstoftools
(Vlaamse overheid) - Impactscoretool
(Vlaamse overheid) - PAS-referentietool
(Vlaamse overheid) - Depositietrendtool
(Vlaamse overheid)
PAS- referentie 2030
De berekening van de PAS-referentie 2030 vereist eerst het vastleggen van de referentiesituatie. Voor veehouderijen die geen gebruik kunnen maken van een afwijkende PAS-berekening (CAPAS) is dit de gemiddelde veebezetting van het productiejaar 2021, op basis van de mestbankaangifte en rekening houdend met het aantal vergunde dierplaatsen in 2021.
In bepaalde gevallen is de gemiddelde veebezetting in het productiejaar 2021 niet representatief voor de bedrijfsvoering. In dergelijke situaties kan worden nagegaan of een aanvraag voor een afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021 mogelijk is = (CAPAS).
Er kan een afwijkende berekening gevraagd worden als:
- Er sinds 2017 investeringen zijn gedaan in dierplaatsen incl. overnames;
- Bedrijven voor het eerst vergund sinds 1 januari 2022;
- Of in geval van een overmachtssituatie die een impact had op de veebezetting in 2021
Afhankelijk van de aangevoerde motivering kan de afwijkende berekeningsmethode gebaseerd zijn op een ander productiejaar of op de huidig vergunde situatie. Daarbij moet steeds worden aangetoond dat de afwijking ten opzichte van de referentiesituatie 2021 minimaal 7% bedraagt.
Voor de berekening hoeveel stikstof emissies uw bedrijf heeft, wordt er gekeken naar de mestbankaangifte van 2021. Deze aangegeven dieraantallen mogen dan verhoogd worden met het correcte leegstandspercentage, dat voor de varkenssector gelijkgesteld is aan 10%. De nieuwe dieraantallen kunnen dan worden vermenigvuldigd met de bijhorende emissiefactoren. Voor de varkenssector moet er hierop dan 60% worden gereduceerd, maar dit geldt enkel voor de emissies uit niet-AEA-stallen. Voor de emissies afkomstig van dieren uit stallen waar reeds AEA-maatregelen worden toegepast, is deze reductie niet vereist. De maximale PAS-referentie 2030 bestaat dus uit de som van alle emissies verminderd met 60% van de emissies van niet-AEA-stallen.
Voorbeeld 1:
Een varkenshouder had op zijn mestbankaangifte 2021, 1200 vleesvarkens aangegeven. Deze bevonden zich in een traditionele stal waardoor er 60% reductie op zijn ammoniakemissie verplicht is.
Voorbeeld 2:
Een varkenshouder had op zijn mestbankaangifte 2021, 1200 vleesvarkens aangegeven. Deze bevonden zich in een emissiearme stal waardoor er geen reductie op zijn ammoniakemissie verplicht is.
Voorbeeld 3:
Een zeugenhouder heeft 400 zeugen en werkt in een 4-wekensysteem. Hierdoor is zijn zeugenstapel opgesplitst in 5 groepen. Volgens de mestbankaangifte 2021 waren er gemiddeld 80 kraamzeugen aanwezig in een niet-AEA stalsysteem, 160 guste en dragende zeugen op een V-3.1 (smalle mestkanalen met rooster met verhoogde mestdoorlaat) en nog 160 guste en dragende zeugen die zich bevonden in het groepshuisvestingsysteem op een V-3.5 (zonder strobed en met schuine putwanden in het mestkanaal (bij EO van 0,50 m² en betonrooster)).
Wat kan jij doen als varkenshouder?
Bekijk welke emissiereducerende maatregelen erkend zijn voor jouw sector.